![]() |
#15May 2006autopsie van muziek, ISchönberg, Berg, Webern, Varèse, Cage, Stockhausen & Nono (herfsttij der twintigste eeuw) Willem Boogman gesproken over fragmenten van levende muziek ofwel : een geschreven gesprek met Exsilio- |
|
La Musique adoucit un cœur, tant soit il dur.
Pierre de Ronsard (Œuvres complètes, II, Paris 1976, p.657)
vooraf
In een zonnige Ferdinand Bolstraat schonk Willem Boogman mij op 10 Augustus 1990 het boekdeel Briefe, hetwelk Arnold Schönberg’s Sämtliche Werke (B. Schott’s Söhne,Mainz/ Universal Edition, Wien) verre van completeert (cf. infra). Even daarvoor had boekhandelaar Saul Groen zelf, ofwel een van zijn medewerkers Willem de aanschaf van deze
Briefe met woorden van deze strekking sterk afgeraden : « Dat werk
is één volkomen door pecuniaire zorgen bepaalde litanie ! ». Willem liet zich
niet van zijn stuk brengen, kocht het boek & buitengekomen schoof hij het
mij welgemeend toe. (Overigens stelde de lectuur van deze Briefe Saul gedeeltelijk in het gelijk.)
Sedert die warme dagen in Amsterdam heb ik met de gedachte gespeeld Wim enkele vragen naar aanleiding van deze Briefe te stellen & zijn antwoorden te bundelen, aanvankelijk voor een aflevering van het periodiek paraGRAPHE (Parijs 1983-1987), daarna voor een nummer van degli esercizi di fiacchezza/ stesure e frammenti (Parijs 1998-1999), & tenslotte – want een&ander moet aan vergetelheid onttrokken – voor #15 van dall’ oblio-/ waters of oblivion (Parijs 2005ff). Eerst in Juli 2005, opnieuw in een zonnig Amsterdam, in een Chinees-Indisch restaurant juist achter het Concertgebouw, gaf ik Willem van mijn weliswaar gewijzigde plannen te kennen. & ik was blij dat hij mij zijn medewerking zonder enige twijfel toezei. Sedertdien bleven de bedoelde vragen echter maanden uit & dat is mij te verwijten. Een sluitend excuus is moeilijk te geven, maar laat ik voordat wij ons naar de eerste vraag haasten, enigszins aangeven wat genoemde wijziging inhoudt. |
|
In het onderstaande wordt indirect geprobeerd enkele vormen van een profiel van Willem Boogman als scheppend toondichter te schetsen. Dit betekent niet dat gezocht wordt naar een betekenis of analyse van zijn daadwerklijke, concrete composities. Zijn biographie is hier evenmin voorwerp van beschrijving dan wel bespiegling. Waar kan de lezer dan nog geboeid door raken ? Door Boogman’s subtiele verwoordingen van enkele van zijn ervaringen in & met de zo genoemde eigentijdse muziek. Natuurlik is hierbij gedacht aan voorgangers als Schönberg, Berg, Webern, Varèse, Stockhausen, Cage & Nono. Dit is een beperkte, doch illustratieve reeks, waar geen enkel historisch-musicologisch oordeel achter schuilgaat. Sedert 1975 hebben wij, Willem & ik, ruim meer dan vijftienhonderd lange brieven uitgewisseld, hetgeen dit artificeel vraaggesprek dubbel artificieel maakt : met moeite kan (wellicht) worden ontsnapt aan de druk van de vanzelfsprekendheid van genoemde correspondentie & de daar aan ten grondslag liggende vriendschap. Ik herinner mij nog als de dag van gister dat de beeldhouwster Françoise Cataláa mij als antwoord op verschillende van mijn vragen bij herhaling toeriep (vertaald) : « Maar Dolphio-, dat weet jij toch wel ! Daar hebben wij al vaak genoeg over gesproken. ». Waarop ik probeerde haar tot bedaring te brengen met woorden als : « Ik weet dat misschien wel, maar wat weten onze lezers van jouw werk ? ». Dit is delicaat. Nu de vragen. Exsilio-, Parijs,
Januari 2006.
|
|
autopsie van muziek
§
Exsilio- : Ofschoon de titel ‘autopsie van muziek’ min of meer provocatief
is, want hij klinkt ietwat fatalistisch, zijn mijn vragen bescheiden bedoeld : opnieuw
: een encyclopaedische volledigheid moet dan ook niet verwacht. Het is nog steeds gebruikelijk
dat men de moderne muziek laat aanvangen met de Tweede Weense School. In twee
reeksen van lezingen – Le Chemin vers la
Composition avec Douze Sons (15 Januari 1932 – 2 Maart 1932) & Le Chemin vers la Nouvelle Musique (22
Februari 1933 – 10 April 1933) [bij overmacht ben ik enkel vertrouwd met de
vertaling van Anne Servant, Didier Alluard & Cyril Huvé (Paris 1985) ; de
oorspronkelijke Duitse uitaaf is eerst van 1960] – karakteriseert Anton Webern
deze School, ondanks vele opzettelijke leemten, overtuigend, dus dat behoeft
geen toelichting. Wat mij echter intrigeert is Arnold Schönberg’s stellige raad
wanneer hij 22 Januari 1931 Webern schrijft (cf. Briefe, ausgewählt und herausgegeben von Erwin Stein, Mainz
1958, p.158) : « Deinen Plan für die Mondseer Kurse finde ich im Prinzip ausgezeichnet.
Nur würde ich Dir emphelen, die Analysen eventuell so anzulegen (durch die
Auswhal der Werke), daß die Entwicklung der Komposition mit 12 Tönen sich
daraus ergibt. Also z.B. Niederländer, Bach fürs Kontrapunktische, Mozart für
die Phrasenbildung, aber auch für die Motivik, Beethoven, aber auch Bach, für
die Entwicklung, Brahms, und ev. Mahler, für den variierten, vielfach verschränkten
Ablauf. Ich glaube, daß in dieser Skizze das Wichtigste angedeudet ist. Der Titel könnte dann sein : “
Der Weg zur Komposition mit 12 Tönen ”. ». De steeds weer defensieve René Leibowitz citeert in zijn Schœnberg (Paris 1969, pp.20-22) uit een
‘article inédit daté du 24.11.1931’ het volgende : « [Il dit qu’il a appris :] DE BACH : 1. La pensée contrapuntique ; c’est-à-dire l’art
d’inventer des figures sonores capables de s’accompagner elle-mêmes. 2. L’art
de faire dériver le tout d’une seule unité et la manière d’enchaîner les
figures entre elles. 3. L’émancipation à l’égard des temps de la mesure. DE MOZART : 1. L’inégalité de la longueur des phrases. 2. Le groupement des caractères hétéro- gènes en une seule entité thématique. 3. La déviation par rapport au nombre pair des mesures du thème et de ses
composantes. 4. L’art
de la formation d’idées secon- daires. 5. L’art d’introduire et de «
transiter ». DE
BEETBOVEN :
1. L’art du développement des thèmes et
des mouvements. 2. L’art de la variation et de la différen-
ciation. 3. La diversité
dans la construction de mouvements de longue haleine. 4. L’art d’allonger sans hésitation, mais aussi de raccourcir brutalement
selon les « besoins de la cause ». 5. Rythmiquement : le déplacement des figures sur d’autres temps de la
mesure. DE WAGNER : 1. L’usage que l’on peut faire des thèmes selon
leur expression ainsi que keur conception correcte en vue de cet usage. 2. La
parenté entre les sons et les accords. 3. La possibilité de concevoir des thèmes et des motifs en tant qu’antités
autonomes, ce qui permet leur superposition dissonante à certaines harmonies. DE BRAHMS : 1. Beauoup de ce que j’avais saisi
inconsciemment chez Mozart, surtout l’irrégularité du nombre des mesures,
extension et condensation des phrases. 2. La plasticité des formations : ne pas économiser, ne pas marchander
lorsque la clarté exige davantage d’espace ; mener chaque figure à ses ultimes
conséquences. 3. La conception systématique de l’aspect global d’un mouvement. 4. Économie
et pourtant richesse. J’ai
aussi beaucoup appris de Schubert et aussi de Mahler, Strauss et Reger. Je ne
me suis soustrait à personne et je puis, par conséquent, dire de moi-même : mon
originalité vient de ce que j’ai tout de suite imité tout le « bien » que j’aie
jamais perçu. Même
quand je ne l’avais pas d’abord vu chez d’autres. Et j’ai le droit de dire que, souvent aussi, je l’ai vu d’abord
chez moi. Car je ne me
suis jamais arrêté à ce que j’ai vu : je l’ai acquis afin de le posséder ; je l’ai
élaboré et élargi et cela m’a amené à faire du « neuf ». Je Nu mijn vraag : kent
de muziek(geschiedenis) een (chrono)- logische ontwikkeling & heeft dit noodzakelijk tot het gebruik van de
dodecafonie geleid ? Willem : § Exsilio- : in bovenstaande marge geeft Schönberg aan wat hij zoal te danken
heeft aan de West-Europese muziek van Bach tot Mahler. Wat vind jij van zijn of
een dergelijke opsomming ? Wie & wat zou jij noemen ? Willem : § Exsiolio- : Kandinsky
ook spreekt in zijn Commentaires sur l’ «
Har- monielehre » de Schoenberg van een ‘onveranderlike, organische conituïteit’
(cf. Contrechamps, 2, Paris 1984,
p.93 – vertaling van Vincent Barras & Antoine Courvoisier) : « accorder une
attention particulière à la continuité organique
inaltérable, au développement naturel et immuable de la nouvelle musique à
partir de l’ancienne, à partir des sources les plus profondes que ce
compositeur révolu- tionnaire ressent si fort. ». Op welke wijze laat Schönberg’s Harmonielehre,
de eerste versie is van 1911, zich heden ten dage nog gelden ? & zijn, bij
voorbeeld, les nouveaux instruments (Varèse)
of het begruik van electronica te begrijpen als « la continuité organique inaltérable » ? Willem : § Exsilio- : zo jij weet
was de vriendschap tussen Kandinsky & Schön- berg aanvanklik wederzijds vrij
hartelijk, maar dat Kandinsky’s ferm anti-semitisme haar later radicaal &
definitief bekoelde. Kandinsky’s aandringen is frappant – ookal zijn wij hier
nog pas in 1922 – & wanneer Schönberg indirect Kandinsky’s standpunt
verneemt, schrijft hij hem 19 Maart 1923 bondig zijn verontwaardiging (cf. ‘Schoenberg/ Kandinsky/
Correspondance/ Ecrits,’ vertaald door Daniel Haefliger & Antoine Courvoisier,
Contrechamps, II, Paris 1984, p.64-65
– merkwaardig hoofdletter- gebruik is fideel overgenomen. Een Duitstalige
uitgaaf van deze briefwisseling is mij niet bekend. Moet gezegd dat dit hoe dan
ook een welkome aanvulling is op de eerder genoemde Briefe van Schönberg.) : « Car ce qu’on m’a forcé à apprendre
durant cette dernière année, je l’ai enfin compris et ne l’oublierai pas. C’est
que je ne suis pas allemand, pas européen,
peut-être à peine un être humain (du moins, les Européens préfèrent à moi les
plus mauvais de leur race), mais que je suis juif. Et j’en suis content !
Aujourd’hui je ne souhaite absolument plus faire exception ; je ne suis
absolument pas hostile à ce que l’on me mette dans le même sac que tous les
autres. Car j’ai vu que de l’autre côté (qui sinon n’est nullement pour moi un
modèle) tout est également mis dans le même sac. J’ai vu qu’un homme, avec qui
je croyais être au même niveau, a cherché à tout mettre dans le même sac ; j’ai
entendu dire que même Kandinsky ne voit que mal dans les actes des Juifs et
dans leurs mauvaises actions que le fait qu’ils sont Juifs, et alors je renonce
à tout espoir d’entente. C’était un rêve. Nous sommes des hommes de deux espèces.
Définitivement ! ». Vijf dagen later antwoordt Kandinsky in
termen als ‘ik heb Joden onder mijn beste vrinden’, maar even verder herhaalt
hij dubbel- & ondubbel- zinnig (cf.
idem, p.66) : « Vous avex une image effroyable du Kandinsky « d’aujourd’hui
» : je vous rejette en tant que Juif, mais malgré cela je vous écris une bonne
lettre et vous assure que j’aimerais tellement vous avoir ici afin que nous travaillions ensemble ! ». Merkwaardigerwijs
reageert, & dat zònder allereerst een brouillon
te schrijven, een uiteraard taamlik opgewonden Schönberg twee weken later,
op 4 Mei 1913, ondermeer aldus (cf. idem,
p.67) : « les Allemands ne supportent aucun Juif ! […] Je demande :
pourquoi dit-on que les Juifs sont comme leurs trafiquants ? Dit-on également que les Aryens sont
comme leurs plus mauvais éléments ? Pourquoi juge-t-on un Aryen d’après Goethe
ou Schopenhauer ? Pourquoi ne dit-on pas que les Juifs sont comme Mahler,
Altenberg, Schönberg et beaucoup d’autres ? […] Tout Juif révèle par son nez crochu,
non seulement sa propre culpabilité, mais aussi Et alors vous y participez et « me
rejetez en tant que Juif ». Mais vous l’ai-je jamais permis ? Croyez-vous que
quelqu’un comme moi se laisse rejeter ! […] Comment un Kandinsky peut-il approuver
qu’on m’insulte ? ». Tegen het slot van
deze brief van ruim vier dicht bedrukte pagina’s profetiseert de ziener Schönberg
pijnlik exact (cf. idem, p.70) : «
Mais à quoi l’antisémitisme doit-il conduire, si ce n’est à la violence ? Est-ce
difficile de se l’imaginer ? Il vous suffit peut-être de priver les Juifs de
leurs droits. Il faudra sûrement alors supprimer Einstein, Mahler, moi-même et
beaucoup d’autres. Mais
une chose est sûre : ces éléments beaucoup plus solides, grâce à la résistance
desquels le judaïsme s’est préservé, sans protection, contre l’humanité pendant
vingt siècles ne pourront être éliminés. Car ils sont manifestement organisés
de manière à pouvoir remplir le devoir que leur Dieu leur a imposé : survivre
en exil, sans se mêler et sans se briser, jusqu’à ce que vienne l’heure du
salut ! ». Van deze brieven in
geen spoor terug te vinden in genoemde Briefe. Desniettemin schreef
Kandinsky 18 Januari 1911 in zijn eerste missive aan Schönberg in termen van ‘harmonie’
(cf. idem, 11) : « Actuellement, une
des grandes tendances en peinture est de chercher la « nouvelle » harmonie, par
des voies constructives, où le rythme [das Rhythmische] est à bâtir à partir d’une
forme presque géométrique. [...] Je crois justement qu’on ne peut
trouver notre harmonie d’aujourd’hui par des voies « géométriques », mais au
contraire, par l’antigéométrique, l’antilogique le plus absolu. Et cette voie
est Wat vind jij van een
dergelijke affiniteit – in die & in deze dagen ? Welke betekenis draagt
genoemde ‘harmonie’ heden ten dage ? Willem : § Exsilio- : ik herinner
mij van Betsy Jolas, ergens in 1985 of 1986 in het I.R.C.A.M., dat zij met
bijna prophetische verve tot een
improvi- serend toondichter zonder enige scholing (van die dichter, wel te
verstaan) iets uitriep als : « Dat blijft behelpen ! ». Moet niet vergeten dat
Jolas in die dagen Messiaen’s leerstoel compositie al een poosje eerder was
toegewezen, dus onderwijs is haar wezenlijk. Ofschoon Schönberg
van zijn schoonbroer Zemlinsky enkele lessen contrapunt heeft gehad, is hij een
volkomen autodidact. Een autodidact die daar&tegen zelf talrijke leerlingen
heeft gehad. In hoeverre is scholing mogelijk, nodig of noodzakelijk ? In
tegenstelling tot in Europa onderwijst men in America scheppend schrijven, maar
scholing in muzikale compositie is ook hier een verworven gebruik, dus het nut
van dergelijk onderwijs schijnt daarmee bewezen. Ik denk niet enkel aan traditionele
conservatoria, maar ook aan privé les & jijzelf sprak op een gegeven moment,
vrij naar Flaubert, van het A.S.K.O.-atelier als ware dat voor jou een ‘leerschool’. Willem : § Exsilio- : voorzover ik weet heb jij weinig ervaring als docent. Zou jij
compositie-leerlingen aanvaarden ? & zo ja, wat zou het programma inhouden
? Willem : § Exsilio- : John Cage, die
in Hoe kan een dergelijk
‘gevoel voor harmonie’ begrepen ? & wat te denken van Cage’s hoofdpijn –
wanneer dit ‘gevoel voor harmonie’ werkelijk wezenlijk is ? Staan sentiment
& rede hier haaks op elkaar, of completeert de een de ander ? Zo ja, wat betekent dan ‘completeren’
of ‘compleet’ ? Willem : § Exsilio- : een tussenvraagje : bestaat er enig verband tussen Cage’s passie
voor paddestoelen & zijn composities ? Of is dit niets dan « son désir […] de créer un
spectacle […] pour se gagner le public » zoals Varèse Cage’s muziekale houding
typeert (cf. Ecrits, op.cit. p.188) ? Willem : § Exsilio- : ik weet niet of Cage – ‘bad boy in music, #2’ – werkelijk een ‘conceptueel’
componist kan genoemd, maar hoe zou jij zijn mogelijke invloed beschrijven of typeren
? Heeft hij
jou beïnvloed ? Zijn (theoretisch) werk is jou niet vreemd. Willem : § Exsilio- : terug in de tijd : Kandinsky was lyrisch geestdriftig over Schönberg’s
picturale werk – hij heeft dat zelfs meer dan eens geëxposeerd – maar ik zie
nauwelijks enige verwantschap met Kandinsky’s eigen werk. Ben ik blind ? Willem : § Exsilio- : ofschoon Schönberg zich op 21 Maart 1898, dus op 24-jarige
leeftijd, tot de Protestantse kerk bekeerde (even eerder was hij Rooms-
Katholiek), & juist voor zijn vertrek naar America, op 24 Juli 1933 te
Parijs, naar zijn Judaïsme terugkeerde, heeft hij relatief weinig religieuse
muziek gecomponeerd. Moet gedacht aan zijn drie korte psalmen (cf. Opus 50a, b & c) ? Het onvoltooide
Moses und Aron zou ik geen religieus werk noemen. & zelfs Kol Nidre (1938) – waarvan hij op 22 November 1941 aan componist
Paul Dessau (1894-1979) schrijft dat het in zijn bedoeling lag « daß es sowohl
im Tempel als auch im Konzert von großer Wirkung sein muß… » (cf. Briefe, op.cit. p.228) – is niet zuiver of enkel religieus bedoeld.Wat vind
jij van zijn Kol Nidre – eventueel in
vergelijking met de o zo gevierde versie voor cello & orkest van 1880 Max
Bruch ? Of meer algemeen : is er nog plaats voor nieuwe religieuse muziek ? Bruch Kol
Nidre uitleg & tekst & weggevaagde aanvang Willem : § Exsilio- : is (Schönberg’s) neo-tonaliteit (ik denk tevens aan het Mar- seillaise-fragment in Ode an Napoleon (opus 41a, 1942 & 41b, 1943)) te vergelijken met vormen van
neoclassicisme in de twintigste eeuw ? & : waarom definieert de zogenoemde avant gardistische muziek zich zo vaak
zo negatief, ik bedoel : in de eerste plaats in termen van ‘vermijden’ : «
tonaliteit moet vermeden » ; « melodie moet vermeden » ; « herhaling moet
vermeden (behalve door Philip Glass, wel te verstaan) ». Genoemd Marseillaise-fragment
klinkt in de maten 62-64 : [partituur] Willem : § Exsilio- : waarom voelen critici als René Leibowitz (zijn werk als dirigent
& componist is mij nagenoeg onbekend) zich bij voorbaat aangevallen,
verongelijkt & zich steeds genoodzaakt een&ander te verdedigen ? Goed,
Adorno is de bevestigende uitzondering – vooral zijn ambivalent bloemgelezen Berg-boek
kan mij flink bekoren (cf. Alban Berg/ Le
maître de la transition infime, traduit par Rainer Rochlits, Paris 1989, passim). Zelfs wanneer je Varèse zelf
raadpleegt, komt snel de ‘on- rechtvaardige’ positie van de hedendaagse muziek
in de hedendaagse samenleving ter sprake. Is ‘klagen’ inherent (niet enkel
vanwege genoemde pecuniare zorg) aan ‘hedendaags componeren’ ? Willem : § Exsilio- : bij gelegenheid van een uitvoering van enkele werken van Louis Andriessen
door het orkest De Volharding, sprak Andriessen zelf in het Institut Néerlandais,
rue de Lille, in gebroken Frans de schare toe. Dat was omstreeks 1985, of wat
eerder. De meegebrachte geluidsvoorbeelden – ik herinner mij nog de lp van De Staat van Donemus – dienden nergens
toe, want de grammophone van het Institut werkte niet. Zijn gehoor telde naast
enkele ambtenaren een dertigtal bejaarde dames, enkele leden van De Volharding
& ondergetekende. Onder deze bijna surrealistische omstandigheden zou Louis
ons spreken over de Nederlandse hedendaagse muziek teneinde ons te verleiden
het concert van De Volharding bij te wonen. Genoeg afgedwaald. De Nederlandse
muziek kwam niet of nauwelijks ter sprake. Daar&tegen onderstreepte hij
bijna drie quartier lang de uitzonderlijke plaats die de componist in Nederland
inneemt in zake verworven financiële
rechten. Veel ware te danken aan een toenmalig heersend nieuw-linkse Provo-climaat. Is dat zo ? & wat zegt
dat over die Nederlandse muziek ? & wat moet gedacht van gebruikt adjectief ? Willem : § Exsilio- : banketbakker Ravel – dit met een knipoog naar een van je kostelijke
verwoordingen in de Nieuwe Rotterdamse
Courant – wil tijdens la Grande
Guerre (de Eerste Wereldoorlog) zijn vaderland physiek verdedigen, krijgt
een plaats in een ambulance toegewezen & schrijft dan ook dat een componist
ook als componist zijn vaderland dient te dienen. Toch is vooral zijn quasie-Spaanse & Griekse muziek
populair of althans bekend. 20
Augustus 1914 schrijft Ravel Cipa Godebski (cf.
Lettres, Ecrits, Entretiens, réunis, présentés et annotés par Arbie
Orenstein, Paris 1989, p.142) : « Et maintenant, si vous voulez : Vive la Wat pleit voor Ravel
is dat hij 7 Juni 1916 weigert de statuten van de Ligue Nationale pour la Défense
de la Musique Française (onder haar présidents
d’honneur bevinden zich, nota bene,
Saint-Saëns & d’Indy !) te ondertekenen, maar zijn patriottische slotregel
blijft frappant (cf. idem, pp.156
& 157) : « Excusez-moi aussi de ne pouvoir adhérer à vos statuts. La lecture attentive de
ceux-ci et de votre notice me l’interdit. […] J’espère néanmoins continuer à « faire
acte de Français » et à me « compter parmi ceux qui voudront se souvenir ». ». Ravel citeert hier
uit het slot van de notice van
genoemde liga, maar het ‘faire acte de Français’ staat weldegelijk voor « faire
œuvre patriotique et artistique » (cf.
idem, p.527). De liga tekent haar pamflet met (cf. idem, p.528) : « La
Musique de France aux Français. ». Wat betekent voor jou
nationaliteit & staat in een toon- dichterlijk proces ? Willem : § Exsilio- : het Engelse koningshuis heeft een poet laureate, nu is dat Andrew Motion, maar ik ben er niet zeker
van of het er tevens een composer
laureate op nahoudt. Iemand als Vaughan Williams lijkt mij daar wel voor
geschikt – of misschien zelfs de ijdele Britten. Zou jij iets dergliks
beschouwen als iets van een andere mythologie ? Of : wat vind jij van de idee
van gelegenheids-werk ? Vooral
in Willem : § Exsilio- : toen ik hier in Frankrijk in de mid-jaren tachtig een soort van
Boogman-festival probeerde te organiseren, ontving ik indirect inlichtingen re een Limburgse sopraan. Haar naam ben
ik vergeten. Toen ik jou daarvan met een photo in kennis stelde, oordeelde jij definitief
& in fraaie bewoording iets als : « Zij is van een andere mythologie. ». Bestaat er voor elke ‘soort’
muziek een typische, eigenlijke ‘mythologie’ ? Denk jij hier aan een mogelijke
mentale houding die al of niet aansluit op deze of gene muziek ? Willem : § Exsilio- : het subsidie-systeem in Nederland is waarschijnlijk uniek, maar
als sedert eeuwen heeft menig componist tevens van ontvangen opdrachten geleefd.
Te veel voorbeelden om op te noemen, maar ook de genoemde Bruch & Schönberg
componeerden beiden hun Kol Nidre in Rabbijnse
opdracht. (Bovendien
was Bruch een gojim & Schönberg
niet practiserend.) Is een opdracht
beklemmend of beperkend ? Ik denk niet aan gebruikelijke deadlines. Willem : § Exsilio- : voor de o zo religieuze Webern & in navolging van Goethe,
vallen de werkelijk Schone Kunsten samen met de Natuur & haar wetten, de
Noodzakelijkheid, waar God zelve is. 20 Februari 1933 zet Webern een&ander
uiteen in een van zijn conferenties (cf.
op.cit. p.47). Het
lijkt warempel wel of hij vertrouwd is met Yeats’s séances. Wat is je antwoord ? Nadere toelichting van Webern, voornamelijk naar Goethe (cf. idem, pp.47, 45 & 45-47) : « A
nouveau, une citation de Goethe, parce qu’elle exprime si merveilleusement
cette ligne de pensée. Il parle de l’art de l’Antiquité : « Ces hautes œuvres d’art
sont en même temps les plus hautes œuvres de la nature, créées par des hommes
suivant des lois vraies et naturelles. Tout l’arbitraire, l’imginaire, s’effronde
: là est la nécessité, là est Dieu… » « Des œuvres de la Nature créées par des hommes…
» – toujours la même idée ! Et autre chose apparaît aussi : la nécessité. Nous devons découvrir ce qu’est,
dans les chefs-d’œuvre, la nécessité. Aucune trace d’arbitraire ! Rien d’imaginaire
! […] J’ai dit auparravant : quel pourrait
bien être l’intérêt de ce que des profanes connaissent ces éléments, soient à même
de décrypter « les énigmes de ses règles « ? Précisément celui-ci : leur
apprendre à découvrir l’abîme sous le lieu commun ! Et ce serait le salut… Etre
spirituellement impliqué ! […] Dans l’introducion de sa Farbenlehre (Théorie des couleurs), Goethe parle par aphorisme de « l’impossibilité
d’expliquer la beauté dans la nature et dans l’art… Nous voulons découvrir des
lois… Il faudrait les connaître ». Pour Goethe, bien que cela soit presque
impossible, il n’est pas moins nécessaire « de chercher à connaître les lois
selon lesquelles la Nature universelle, sous la forme particulière de la Nature
humaine, tend à agir de façon productive et, lorsequ’elle le peut, produit
effectivement… » De quoi s’agit-il ?... Goethe conçoit l’Art
comme une production de la Nature universelle, sous la forme particilière de la
Nature humaine ; c’est-à-dire qu’il n’existe pas d’opposition essentielle entre
un produit de la Nature et un produit de l’Art, et que ce que nous entendons
par œuvre d’art et appelons ainsi n’est au fond autre chose qu’un produit de la
Nature universelle. Qu’est-ce donc que la « Nature universelle » ? Ce qui nous
entoure, peut-être ? Mais qu’est-ce que cela veut dire ? C’est une façon d’expliquer
la productivité humaine et, tout particulièrement, le génie. Voyez-vous,
mesdames et messieurs, cela ne se passe pas de la façon suivante, on ne se dit
pas : « Maintenant je veux peindre un beau tableau, écrire un beau poème, etc. »
Oh ! oui, cela arrive aussi – mais ce n’est pas de l’art. [4 December 1911
schrijft een troosteloze Schönberg Berg (cf.
The Berg-Schoenberg Correspondence, edited by Juliane Brand, Christopher
Hailey and Donald Harris, London 1987, p.51) : « at present I feel no
inclination to paint, either. » !] Et les œuvres existentet dureront
toujours, les grands chefs-d’œuvre, ne sont sûrement pas nés comme la plupart
des gens, hélas ! l’imaginent. Les phrases de Goethe ont dû vous montrer
clairement ce que je veux dire. L’homme n’est que la coupe dans laquelle est
versé ce que la Naturelle universelle veut exprimer. Voyez-vous, je dirais à
peu près cela de la façon suivante : de même que le naturaliste s’efforce de découvrir
les lois qui régissent la Nature, de même devons-nous tâcher de découvrir les
lois selon lesquelles la Nature, sous la forme particulière de l’homme, est
productive. Nous en arrivons ainsi à penser que les choses qui sont l’objet de
l’Art ne sont pas « esthétiques », mais qu’elles ressortissent à des lois
naturelles, et que toute considération sur la musique ne peut se situer que
dans cette perspec- tive. Il y a des lois, bienqu’on ne puisse
sans doute pas toutes les découvrir ; néanmons, quelques-unes d’entre elles ont
déjà été dégagées et introduites dans ce que j’aime à appeler notre métier d’artisan
: dans ce métier auquel le musicien doit se confronter s’il veut être en mesure
de créer quelque chose de valable. ». Willem : § Exsilio-
: Webern spreekt nergens in termen van bezieling of inspiratie, maar
onderscheidt aesthetica van schone kunst (cf.
supra) : « les choses qui sont l’objet
de l’Art ne sont pas « esthétiques », mais qu’elles ressortissent à des lois
naturelles ». Verbaast je dit –
juist van Webern ? Willem : § Exsilio- : wachten op bezieling heeft weinig zin – dat weet jij ook :
zonder zich aan het werk te zetten komt er bar weinig van de grond – maar hoe
functioneren de Muzen ? Willem : § Exsilio- : regels, regels, maar, Varèse herhaalt met instemming Debussy’s aphorisme
: « les œuvres d’art créent des règles, mais les règles ne font pas les œuvres
d’art. » &
voegt daar zelf bescheiden aan toe : « L’art n’est qu’un moyen d’expression. »
(cf. Ecrits, op.cit. pp.90 &166). Voor Varèse is Debussy eenvoudig – &
dit is zeker niet pejoratief bedoeld – « l’homme du son, de la matière » (cf. idem, p.171). Staat Debussy’s impressionisme hier
haaks op Webern’s expressionisme ? Willem : § Exsilio- : om nog even terug te komen op Webern : wat te denken van het
belang dat hij stelt in het mysterieuze & wellicht mystieke SATOR- vierkant
? S A
T O R A R
E P O T E
N E T O P
E R A R O
T A S Webern’s grafsteen met
Sator-vierkant, Mittsersill Kirchhof, Ofschoon het moeilijk helder verklaard of begrepen kan,
vedient het palindroom Satot Arepo Tenet
Opera Rotas nadere toelichting. 2 Maart 1932
besluit Webern zijn achtste & laatste lezing van de cyclus Le chemin vers la composition avec douze
sons met een ietwat vaag eerbetoon aan Shakeaspeare (zijn stafrijm &
herhaling typisch of exclusief shakespeariaens ?) & met het genoemde
palindroom (cf. op.cit. p.145) : «
Pour finir, j’aimerais vous rendre attentifs au fait qu’il n’est pas ainsi
seulement en musique. On
trouve quelque chose d’analogue dans le langage. J’ai été absolument
enthousiasmé lorsque j’ai constaté de telles relations chez Shakespeare, dans
le choix des sonorités et des nombreuses allitérations que contient sa langue.
On y trouve même la récurrence d’une phrase. C’est cela qui fonde l’art du
langage tel que l’entend Karl Kraus [(1874-1936) schrijver & uitgever van het
satirische tijdschrift Die Fackel
(1899-1936)] : il faut, là aussi, créer une cohérence, parce que cela permet
une plus grande intelligibilité. Et je terminerai en
proposant ce vieux dicton latin : S A
T O R A R
E P O T E
N E T O P
E R A R O T A S Alhoewel de
betekenis van de geslachts- naam ‘Arepo’ ons is ontsnapt – wellicht is het een
verzinsel teneinde het palindroom te voltooien denk ik nu – spiegelt het
Sator-vierkant op frappante wijs het twaalf-toons systeem : gelijkheid tussen
reeks, omkering, herhaling & omkering van herhaling. Vertaling –
vrij naar Webern zelf (cf. infra) : «
De zaaier heeft zijn werk ; het werk heeft zijn zaaier. » Min op meer
letterlijk : « De zaaier Arepo houdt de wielen draaiend/ aan het werk. » Refererend aan zijn opus 24, Konzert (1931-1934), zet Webern
11 Maart 1931 het Sator-vierkant uiteen in een brief aan zijn librettiste
Hildegard Jone (cf. infra) ( – bij overmacht
citeer ik de tekst in vertaling : cf. Anton
Webern, Journal à une amie/ Lettres à
Hildegard Jone et Josef Humplik, traduction, préface et commentaires par
Elisabeth Bouillon, Paris 1980, p.42-43) : « Très chère Madame, … Que vous ayez créé tant d’œuvres
nouvelles, vous et votre mari, me fait un plaisir inexprimable. Que
donnerais-je pour voir tout cela au plutôt ! … Ces derniers temps, j’ai à nouveau été
tenu → ↓ ↓ S
A T O R ← ↓ A
R E P
O ↑ → T
E N E
T ← O
P E R
A ← R
O T A S ↑
↑ ↑ [Naast dit diagram vertaalt Webern :] Le semeur tient ses
œuvres. Les
œuvres tiennent le semeur. Lire d’abord horizontalement : Ce qui donne : Sator opera
(renversement d’arepo) tenet, tenet opera sator
(renversement de rotas) Ensuite,
verticalement : de haut en bas, puis de bas en haut ; à nouveau de haut en bas
et de bas en haut (on lit 2 fois tenet) ; de haut en bas, de bas en haut. Puis
la même chose, toujours verticalement, mais en partant de la droite : de bas en
haut, de haut en bas, etc. » Het
bizondere van de reeks van dit Konzert is
dat – & nu citeer ik Paolo Petazzi (cf.
La Nuova Scuola di Vienna, #4, 1990, pp.7-9) : « È una serie articolata in
quattro segmenti di tre suoni ciascuno, che presentano tutti gli stessi
rapporti intervallari (seconda minore e terza maggiore) in ordine e direzione
mutevoli : premessa per radicalizzare la ricerca di massima coerenza interna,
in analogia con l’idea goethiana della Urpflanze
(la pianta originaria secondo la teoria goethiana della natura), “sempre
diversa e sempre la stessa”, nella quale, come ricordò Webern nel suo ciclo di
lezioni del 1932, “le radici non sno altro che il gambo, il gambo non è altro
che la foglia, la foglia non è altro che il fiore : variazioni dello stesso
pensiero”. Solo
il 25 giugno 1934 Webern pose termine al primo movimento, dopo aver più volte
cambiato idea anche sull’organico. Invece il secondo movimento fu scritto in
appena una settimana, e il terzo, iniziato il 22 augosto, era finito il 4
settembre. Schematicamente si potrebbe definire il Concerto una contemplazione Nel primo tempo si mette in evidenza la
cellula base : passano da uno strumento all’altro motivi di tre note, che si
dispongono in simmetria speculare e che possono conoscere al loro interno
ulteriori scissioni in figure di una o due note. Nella tripartizione Ik had niet gedacht
mij dit jaar voor een tweede maal in Goethe’s plantkunde te verdiepen : Die Metamorphose der Pflanzen () (cf. Werke, 12, ausgewählt und
eingeleitet von Helmut Holtzhauer, Berlin, Weimar 1968, pp.240-241) : « Wie sie
sich nun unter einen Begriff sammeln lassen, so wurde mir nach und nach klar
und klärer, daß die Anschauung noch auf höhere Weise belebt werden könnte :
eine Forderung, die mir damals unter der sinnlichen Form einer überzinnlichen
Urpflanze vorschwebte. Ich
ging allen Gestalten, wie sie mir vorkamen, in ihren Veränderungen nach, und so
leuchtete mir am letzten Ziel meiner Reise, in Sizilien, die ursprüngliche Identität aller
Pflanzenteile vollkommen ein, und suchte diese nunmehr überall zu verfolgen und
wieder gewahrzuwerden. […] Alle Gestalten sind
ähnlich, und keine gleichet der anderen; und so deutet das Chor auf ein
geheimes Gesetz, auf ein heiliges Rätsel. » Illustratie van de reeks
in quaestie (cf. Dominique Jameux in
Webern, Complete Works, 1991, p.77) : Bij de zojuist geciteerde brief aan
Jone noteert Elisabeth Bouillon een interessante verwij- zing naar Jone’s
gedicht ‘Sator’ van de bundel Seelige
Augen (1938), maar zij geeft de tekst enkel in vertaling (cf. idem, p.164-165) : Sator La
source au champ de Dieu : Claires les traces
de l’agneau luisent sur la terre un front
sombre. Comme elles couronnent tout de lumière des vallées aux neiges éternelles ! Ceux
qui attendent sous la terre : Coupables, nous étions les pauvres. Un jour, on nous invite à la fête. Ivre dans la miséricorde et ensuite tout reste terrestre. Les
nuages sur le champ de Dieu : Nuages, surgis de son humidité, pleurant de joie
touchent la terre. Car la volonté d’en
haut, c’est qu’en bas les hommes, s’étonnant, se mirent. Le champ de Dieu : Ce
que je cache va me diviser. Et sur moi, pointe de la
création, on tiendra table un jour dans l’éternelle fraîcheur
de la vie. Sator : Si je donne
la souffrance à la terre, comme
aujourd’hui je n’en rapporte à elle elle exprime le devenir qui l’attend devant le tombeau ouvert. Jone zelf tekent
daar raadselaachtig bij aan (cf. idem,
p.164) : « je trouvai en rêve une plante don’t la feuille avait la même
structure que le mot Sator ». & Bouillon
interpreteert (cf. idem, p.165) : «
Il est difficile à première vue de voir le rapport entre cette interprétation
spiritualiste et mystique du mot « sator », le semeur, et celle qu’en donne
W[ebern] dans la lettre 22 [id est die
van 11 Maart 1931 – cf. supra] Pour
H[ildegard] J[one], le carré est une formule ésotérique non plus liée, comme
dans le passé, à l’atrologie et à la magie, mais bel et bien au christianisme,
le « semeur » étant assimilé au créateur. Et si W[ebern] devait,
vraisemblablement, apprécier ce type d’interprétation, la sienne est toute
autre, et, en un sens, beaucoup plus simple, puisque ce n’est rien d’autre que
le symbole de la « Gesetzmässigkeit », et des rapports qui unissent entre eux
les différents éléments de l’ensemble (en allemand, les notions de « Beziehung »,
« Zusammenhang » et « Gebundenheit » qui reviennent très souvent dans les
commentaires de ses propres œuvres), en un mot, des lois de la composition. ». Dus, ondanks Debussy, opnieuw gesproken
over de compositie-wetten. In een ander merkwaardig, niet aan Jone
gericht brieffragment verklaart Webern (cf.
waggish.org) : « You ask about the shape : at the center [of the song] are
the the words "Because he fell silent on the cross, we must go after him,
in all seriousness of bitterness, our breath follows him." What went before
is now repeated backwards. Repeated. All shapes are similar and none are the
same; thus, the chorus points to the secret law, to a holy riddle [cf. supra, immers dit is regelrecht
Goethe].... But the fact that it was just these words that constitute the center
of the musical shape came about of its own accord-- indeed it could not have
been otherwise. ». Weliswaar heb ik het
origineel van deze brief niet terug kunnen vinden, maar het citaat is uit
Webern’s Kantate, Nr.2, opus 31, op
tekst van Jone (verzen V.10-13 – cf.
Complete works, 1991?, pp.156 & 158) : Weil es um Kreuz
verstummte müssen wir ihm nach, in allem
Ernst der Bitternis ihm folget unser Hauch. § Exsilio- : eigenlijk bestaat er klaarblijkelijk geen direct verband tussen dat Sator- viekant & Konzert, op.24, maar zijn buiten-muzicale waarde is Webern
doorslaggevend. Wat denk jij van de spanning tussen ‘het’ buiten- muzicale
& ‘het’ componeren ? Willem : |