dall'oblio                    stesure e frammenti            périodique

stesure e frammenti

DEGLI ESERCIZI DI FIACCHEZZA


III (121-158)

a cura di Exsilio-
Parigi, 10 XI 1998







l'uomo abbia libero arbitrio, però debole,
di fare delle passioni virtù
Vico










( i n d e x )

          (note)
          Appendix I:
                "Apparition" - Mallarmé
                "Verschijning"
                (chiose)
          Appendix II:
                Pound & Mallarmé

5

8
9
15

29



3

( n o t e )

      In numero II van stesure e frammenti wordt enkele keren verwezen naar de hieronder gegeven appendix I & appendix II.
      In het eerste bijvoegsel of aanhangsel is een proeve van vertaling van "Apparition" met inmiddels gebruiklike chiose opgenomen. Marcel Proust indachtig wordt even gebruiklik afgezien van uitleg in strikte zin: 'Pour Mallarmé, [...] il est toujours pédant d'expliquer un charme littéraire et surtout poétique' [cf. Correspondance, texte établi, presenté et annoté par Ph. Kolb, tome II 1896-1901, Paris 1976, p.111]. Proust's chiosa, op verzoek van Reynaldo Hahn, van een gelegenheids-quatrain van Mallarmé aan Méry Laurent, mèt de tekst



5

in Questie volge spoedig. Proust doelt in het bovenstaande in het bizonder op de zogenoemde vers de circonstance, maar "Apparition" is, naar wij zullen betogen, aanvanklik wel deeglik ook dusdanig ontworpen & wellicht daarom eerst in 1883, circa 20 jaar na compositie, op omstreden voorspraak van Mallarmé gepubliceerd.
      Het tweede appendix was een lange noot re Mallarmé, Poe & Pound bij een uitdruklike onevenwichtigheid in Mallarmé's bibliographie: nutloze vertalingen als die van Les Dieux Antiques worden dapper herdrukt, terwijl allerlei primaire tekst, zij het vaak weinig zuiver verzorgd - teken des tijds - nieuw of antiquarisch ongeveer onvindbaar blijft. Echter, ondanks Pound's ambivalentie kunnen Mallarmé's Poe-vertalingen ons flink bekoren.
      In 1983 verscheen het eerste & enige dee1 van een volkomen nieuw & critisch verzameld werk, ditmaal onder toezicht van Carl Paul Barbier, die zich tevens over de reeks Documents Stephane Mallarmé I-VII [Paris 1966-1980] had ontfermd. C.P. Barbier heeft zijn werk echter niet kunnen voltooien.
      Mallarmé's correspondentie werd in 1985 met het verschijnen van deel XI door Lloyd James Austin voltooid & een&ander wekt werklik indruk. In 1998 verschijnt een nieuwe Pléiade, ditmaal verzorgd door Bertrand Marchal - bekend van Mallarmé-critiek - beduidend critischer dan de oude Pléiade, maar de misleidende tittel is niet gewijzigd.
      Pound & Mallarmé: infra: bewuste ontsporing gevolgd.



6

Gebruiken wij de volgende afkortingen:

OC 1945:

Oeuvres complètes, Edition établie et annotée par Henri Mondor et G. Jean-Aubry. Paris 1945 - Pléiade 65;

OC I 1983:

Oeuvres complètes I, Edition critique présentée par Carl Paul Barbier et Charles Gordon, Millan, Paris 1983;

OC I 1998

Oeuvres complètes I, Edition présentée, établie et annotée par Bertrand Marchal, Paris 1998 - faisant partie d'une nouvelle édition des «Oeuvres completes» de Mallarmé et portant le numéro soixante-cinq de la «Bibliothèque de la Pléiade»;

C I...XI:

Correspondance 1862-1871, receuillie, classée et annotée par Henri Mondor avec la collaboration de Jean-Pierre Richard. Paris 1959 & Correspondance II- XI, 1871-1898, recueillie, classée et annotée par Henri Mondor [pro forma, cf. C II, p.7] et Lloyd James Austin, Paris 1965-1985;

DSM I...VII:

Documents Stéphane Mallarmé I-VII, presentés par Carl Paul Barbier (VI avec la collaboration de Lawrence A. Joseph & VII avec la collaboration de Austin Gill, Lawrence A. Joseph et de Cecily Mackworth). Paris 1966-1980.



7

A p p a r i t i o n
La lune s'attristait. Des séraphins en pleurs
Rêvant, l'archet aux doigts, dans le calme des fleurs
Vaporeuses, tiraient de mourantes violes
De blancs sanglots glissant sur l'azur des corolles
- C'était le jour béni de ton premier baiser.

 

V e r s c h i j n i n g
De maan bedroefde zich. Serafijnen in tranen
dromend, de strijkstok tussen de vingers, in de kalmte
van nevelig gebloemte, streken wegstervende viola's
bleke snikken glijdend op bloemkronen azuur
- Dat was de gezegende dag van je eerste kus.
8
 
9

Ma songerie aimant à me martyriser
S'enivrait savamment du parfum de tristesse
Que même sans regret et sans déboire laisse
La cueillaison d'un Rêve au coeur qui l'a cueilli.

 

Mijn dromerij ervan houdend mij te pijnigen
bedronk zich wijslik met de geur van droefnis
die zelfs zonder spijt & zonder verdriet
het hart dat hem geplukt heeft een Droom laat plukken
10
 
11

J'errais donc, l'oeil rivé sur le pavé vieilli

Quand avec du soleil aux cheveux, dans la rue
Et dans le soir, tu m'es en riant apparue
Et j'ai cru voir la fée au chapeau de clarté
Qui jadis sur mes beaux sommeils d'enfant gâté
Passait, laissant toujours de ses mains mal fermées

Neiger de blancs bouquets d'étoiles parfumées.

 

Ik zwierf dus, het oog vast gericht op het verouderde
[plaveisel
toen, jij, met de zon in je haar, in de straat
& in de avond, mij lachend bent verschenen
& ik geloofde de fee met de heldere hoed te zien
zij die vroeger in mijn schone sluimeringen
van een verwend kind langs kwam, & steeds van haar
[slecht gesloten
handen witte boeketten van geurige sterren liet
[sneeuwen.
12
 
13

( c h i o s e )

       Met wie zou Mallarmé de spot willen drijven? Schijnt Anatole France bezorgd wanneer hij uitroept 'Non! On se moquerait de nous.' [Cf. Paul Verlaine, Lettres inédites a divers correspondants, publiées et annotées par Georges Zayed, Genève 1976, p.32]? Paul Valéry altbans acht zo een bezorgdbeid volstrekt onaanvaardbaar & gaf dit te kennen door France in zijn inaugurale rede voor de Académie Francaise in 1925 in het geheel niet te noemen, & dat terwijl hij nota bene juist diens plaats innam [cf. Oeuvres I, édition établie et annotée par Jean Hytier, Paris 1987, p.49]. Uiteraard heeft de moeilik te definiëren groep Parnassiens zich willen onder-



15

scheiden van haar context. In de goedaardigheid Mallarmé eigen ontbreekt spot echter volkomen.
       Verlaine, die, naar Mallarmé's zeggen, drinkt wanneer hij niet dicht & dicht wanneer hij niet drinkt, ontwerpt een poetica waarin "Apparition" tenslotte, in 1883, een plaats vindt [cf. OC I 1983, p.291]. Bovendien reciteert hij juist "Apparition" tot minstens 1893 in zijn conférences: avec beaucoup de gentilesse de la part des auditoires.' [cf. Lettres inédites, op.cit. p.117].
       Mallarmé zelf beschouwt "Apparition" veeleer als 'une pièce de jeunesse' [cf. C III, p.101] maar heeft klaarblijklik geen bezwaar tegen opname in Poësies, de min of meer definitieve, verzamelde gedichten bekend als Edition Deman, 1899 [cf. OC I 1998, p.4-45].

*

       De historique van "Apparition" is weinig omstreden: omstreeks 1863 begint Mallarmé aan de compositie, aanvanklik bedoeld als beeltenis van Ettie Yapp [1845-1873. cf. DSM VI, p.32], de verloofde van Henri Cazalis [1840-1909, arts in Aix les Bains & schrijvcr hors saison; cf. DSM VI, p.27 & passim], ongetwijfeld Mallarmé's meest vertrouwlike vriend & wellicht tevens geïnspireerd door 'ses souvenirs de 1'idylle avec Marie Gerhard [1840-0000. met wie Mallarmé in 1863 in London trouwt. Cf. DSM V, p.380ff & p.401ff] qui est davantagc sa vision de la jeune fille «avec le soleil aux cheveux» [vers 11]' [cf. OC I 1983, p.291; C I, p.36].



16

       Moet niet vergeten dat Cazalis zich naast het hieronder gebrekkig gereproduceerde portret van Ettie Yapp door Henri Regnault [1843-1871, schilder, Prix de Rome 1866; infra p.18; cf. DSM VI, tegenover p.290] een dichterlike & door Mallarmé gecomponeerde beeltenis had gewenst [infra p.20]. Naar het schijnt verzocht Cazalis menigeen & met wislend succes om derglike kunstzinnige voorstellingen [cf. DSM VI, p.67; infra p.19].
       Reeds op 1 Juli 1862 belooft Mallarmé hem ecn&ander. Volgen wij, met voorkeur, de briefwisling als opgenomen in Documents Stephane Mallarmé VI, Bloemlezing plus vertaling:
       Cazalis aan Mallarmé, waarschijnlik 6 April 1863 [DSM VI, p. 146] :
       'Parle moi d'Ettie, et touj. d'Elle, Stéphane, comme si je ne l'avais pas quittée. Sans cesse à moi-même je me parle d'elle: et je désire, et j'ai besoin que tous mes amis me sachent encore, autant que par le passé, uni à elle; et que son nom soit dit par vous comme si elle était là, la Picciola, à mes côtés. Un jour même, mon Stéphane, quand marié tu sera plus tranquille, je te rappellerai une dette, ces vers, ce portrait que tu m'avais promis: ce sera ton présent de noces pour mon union mystique. Mais pardon, de t'avoir tant parlé de moi: et certes qu'est donc ma vie, Stéphane, près de la tienne?'
       Ofwel: Spreek mij van Ettie, & altijd van Haar, Stéphane, alsof ik haar niet had verlaten. Ik spreek mijzelf onophoudlik van haar: & ik verlang, & ik heb het nodig dat al mijn vrienden mij nog, zoals in



17

het verleden, met haar verenigd weten; & opdat haar naam door jullie worde uitgesproken. alsof zij aan mijn zijde aanwezig ware, de Picciola [Alpenbloem, heldin van een sentimentele roman met dezelfde tittel van X.-B. Saintine, verschenen in 1836]. Een zekere dag, mijn Stéphane, waneer jij getrouwd rustiger zal zijn, zal ik je herinneren aan wat jij mij schuldig bent: die verzen, die beeltenis die jij mij had beloofd: dat zal jouw bruiloftsgeschenk zijn voor mijn mystieke vereniging. Maar vergeef mij je zoveel over mijzelf te praten: & voorwaar wat betekent mijn leven, Stéphane, naast dat van jou?'



18

       Zou Cazalis bovendien zinspelen op een daadwerklike scheiding? Zijn verbintenis met Ettie Yapp was in elk geval van korte duur [cf. Henri Mondor, Vie de Mallarmé, Paris 1942, p. 264; infra P.00].
       Cazalis aan Mallarmé, 14 Juni 1863 [DSM VI, p.158]:
       'N'essaieras-tu jamais de faire la Vierge, de faire le portrait de notre chère soeur, de celle qui luit sur nous, comme une nuée d'étoiles; de celle que nous aimerons toujours et qui touj. nous aimera; il y a d'adorables choses, dans le portrait d'Emmanuel; mais pourquoi lui met-il une poitrine de sphynx. Un jour, Stéphane, que Marie par un baiser t'aura mis dans l'âme des souffles d'Allemagne, ou qu'en passant près d'un jardin tu auras longtemps regardé un lys, ou qu'une voix d'enfant t'aura ému à force de douceur et de pureté, fais ce portrait, que je te demande; et si c' est possible, je crois que je t'aimerai encore plus.'
       Ofwel: Zult gij het nimmer proberen de Maagd te scheppen, het portret van onze dierbare zuster te schetsen, van haar die als een dichte wolk van sterren over ons straalt; van haar van wie wij voor altijd zullen houden & die voor altijd van ons zal bouden; er staan aanbidlike dingen in het portret van Emmanuel [des Essarts (1839-1909), wederzijdse vriend]; maar waarom geeft hij haar de buste van een sphinx [cf. DSM VI, p.67:

              O Beauté que les dieux firent mystérieuse,
              Toi qui daignes sourire en restant sérieuse,
              Candeur eacute;trange, sphynx inexplicable et doux;
              Enigme aux cheveux blonds qui rayonnes sur nous,



19

       Ofwel: O Schoonheid door goden als geheimzinnig gemaakt,/ Gij die ernstig blijvend gelieft te glimlachen,/ Vreemde onschuld, onverklaarbare & zachte sphinx;/ Raadsel met blond haar dat op ons straalt,] Op een dag, Stéphane, wanneer Marie je door een kus in de ziel van zuchten van Duitsland [Marie is Duitse] zal hebben geplaatst, of wanneer jij in het voorbijgaan van een tuin lang een lelie zal hebben bekeken, of wanneer een kinderstem je met haar zachtheid & zuiverheid zal hebben ontroerd, maakt dan dat portret dat ik je vraag; & mocht dit mooglik zijn, dan geloof ik nog meer van je te houden.
       Mallarmé aan Cazalis 1 Juli 1862, één jaar eerder [DSM VI, p. 41]:
       'Tu me demande[s] des vers, frère.
       C'était à moi à te demander de m'en laisser faire.
       Seu1ement, je tremble. Vois-tu, c'est mon chef d'oeuvre que je veux faire là. Comme je le referai un jour pour ma pauvre soeur dont je n'ai point osé encore rythmer la vision. Laisse-moi donc tout le temps m'en faire.
       Je comprends combien il serait doux de les lire à ta bien aimée, saintement, avant que l'alouette fatale ne chante l'adieu. Si tu veux faire à la perfection de l'oeuvre le petit sacrifice, non, le grand sacrifice de les attendre pour ne les envoyer que plus tard, je te les promets exquis.
       Ne crois pas ici que l'amitié soit de la fatuité.
       Je te les promets exquis, blancs et or.
       D'ici à Samedi, certe, je pourrais rimer quelques strophes, jolies même, mais cela ne serait rien, non rien, auprès de ce que je rève.



20

       Je ne veux pas faire cela d'inspiration: la turbulence du lyrisme serait indigne de cette chaste apparition que tu aimes. II faut méditer longtemps: l'art seul, limpide et impeccable, est assez chaste pour la sculpter religieusement.
       Merci, ami, de me commander et de m'inspirer mes meilleurs vers.'
       Ofwel: Gij vraagt [vermiste brief? DSM VI telt 121 brieven van Mallarmé, maar slechts 75 'réponses' van Cazalis - op.cit. p. 19; even hoger in de brief [DSM VI, p.40] 'citeert' Mallarmé: 'Il y a un mot touchant et qui illume toute la lettre, le voici: «reçois, mon cher Mallarmé, le portrait de notre soeur.»' Ofwel: Er is een roerend woord dat je gehele brief verlicht: «ontvang, mijn beste Mallarmé, het portret van onze zuster.»] om verzen, broeder./ Het ware mij jou te vragen mij deze verzen te laten schrijven./ Echter, ik beef, begrijpt gij, dat ik daar mijn hoofdwerk van wil maken. [Of "Apparition" - une piece de jeunesse [supra p.16] - werklik een hoofdwerk is gcworden is ondanks haar bekendheid twijfelachtig. Dit zijn, aldus Mondor [Vie de Mallarmé, op.cit. p.264-265], zeker niet de voorkeurs verzen van de lecteurs entraines.] Zoals ik het eens voor mijn arme zuster [Maria, 31 Augustus 1857 overleden; cf. Henri Mondor, Mallarmé plus intime, Paris 1947, p.65ff voor de brieven van Stéphane aan Maria] voor wie ik het in het geheel nog niet gedurfd heb mijn vizie te dichten over zal doen. Laat mij dus alle tijd mij hierover te ontfermen. / Ik begrijp hoe lieflik het ware ze je geliefde te lezen, vroom, voordat de noodlottige leeuwerik vaarwel zingt [verwijzing naar Romeo and Juliet, III.v, 1-8 [William Shakespeare, Comedies I, with an introduction by T. Tanner/



21

general editor S. Barnet, London 1995, p.472]:

Juliet
              Wilt thou be gone? It is not yet near day.
              It was the nightingale, and not the lark,
              That pierced the fearful hollow of thine ear.
              Nightly she sings on yond pomegranate tree.
              Believe me, love, it was the nightingale.

Romeo
              It was the lark, the herald of the morn;
              No nightingale. Look, love, what envious streaks
              Do lace the severing clouds in yonder East.

cf. infra p.24]. Indien je voor de volmaaktheid van hel werk een klein, neen, een groot offer will plengen, te wachten zodat ik ze later kan versturen, dan beloof ik dat zij allerliefst zullen zijn./ Gelooft hierbij niet dat de vriendschap een verwaandheid is./ Ik beloof je ze, wit & goud./ Van nu tot Zaterdag zoude ik zeker wel enkele & zelfs puike strophen aaneen kunnen rijmen, maar dat ware niets, neen niets, vergeleken met wat ik droom./ Ik wil dit niet uit bezieling doen: de uitgelatenheid van de vervoering zou deze reine verschijning van wie gij houdt onwaardig zijn. Men moet lang bepeinzen: de kunst alleen, helder & onberisplik, is rein genoeg om haar religieus te beeldhouwen./ Dank, mijn vriend, voor het vragen & bezielen van mijn beste verzen. [Cf. C I, p.35ff of OC I 1998, p.641ff]



22

       H. Mondor onderkent in "Apparition" 'un certain «pré-raphaélisme» de manière induirait assez naturellement à supposer que ce poëme date de l'époque du séjour que fit à Londres notre poëe (nov. 1862- nov. 1863).' [OC 1945, p.1412], maar onzeker is of Mallarmé Rosselli's poëzie kende. Al de gevonden allusies betreffen Rosselli's vertalingen van Villon: "The Ballad of Dead Ladies", "To Death, of his Lady" & "His Mother's Service to our Lady" [in Poems and translations, London 194O, p.97-100]. Bovendien is Mallarmé's affinité met Villon bescheiden. 7 Juni 1876, dus ruim na dalum, schrijft Mallarmé Swinburne: 'Non, je n'ai point présente à l'esprit la traduction de Rossetti et je le regrette; et me promets la première fois que je remettrai la main sur une édition anglaise de son oeuvre, la joie d'y lire ses deux ballades et son rondeau.' [C II, p.122; cf. Poètes et romanciers du Moyen Age, édition &eacyte;tablie et annotée par A. Pauphilet, Paris 1992, p.1155, 1171 & 1174].
       Verwantschap met zijn Poe-vertalingen, deze dateren eveneens van omstreeks 1862, is eenvoudig aanwijsbaar: re vers 1: uit "Annabel Lee" [OC 1945, p.202]: 'd'un amour que les séraphins ailés des cieux convoitaient à elle et à moi.' & uit "La Dormeuse" [ibidem]: 'je suis sous la lune mystique: une vapeur opiacée, obscure, humide, s'exhale hors de son contour d'or' of "Eulalie" [OC 1945, p.195].

       Re vers 3: violes: "Le démon de l'analogie" [OC I 1998, p.416-418 of Divigations, Paris 1942, p. 28-30]: 'Je sortis de mon



23

appartement avec la sensation propre d'une aile glissant sur les cordes d'un instrument [...] Je fis des pas dans la rue et reconnus en le son nul la corde tendue de l'instrument de musique, qui était oublié et que le glorieux Souvenir certainement venait de visiter de son aile ou d'une palme et, le doigt sur l'artifice du mystère, je souris et implorai de voeux intellectuels une spéculation différente.' & "Sainte" [OC I 1998, p.25]: 'sa viole étincelant' of "Don du poème" [ibidem, p.17]: 'Et ta voix rappelant viole et clavecin,/ Avec le doigt fané'.
       Re vers 9: La cueillaison d'un Reve: bizonder vermeld in Le Petit Robert 1 [Paris 1985, p.433], maar Mallarmé verwijst opnieuw naar Romeo and Juliet [supra, p.22], I, iv, 49-53 & 70-71 [op. cit. p.416-417]:

Romeo
              I dreamt a dream tonight.
Mercutio
              And so did I.
Romeo
              Well, what was yours?
Mercutio
              That dreamers often lie.
Romeo
              In bed asleep, while they do dream things true.
Mercutio
              0, then I see Queen Mab hath been with you.
              [...] And in this state she gallops night by night
              Through lovers' brains, and then they dream of love;



24

Mallarmé schrijft Cazalis 4 Juni 1862: 'Ne m'oublie pas auprès [...] de ta Mab.' [DSM VI, p.38 of C V, p.189]. Ofwel: Vergeet mij niet bij je Mab.

Re vers 11: dans la rue: Mallarmé schrijft Maria Gerhard in Juli 1862: 'J'irai encore vous voir au Lycée, je suis heureux de vous voir, même de loin, il me semble, quand vous tournez la rue, que je vois un fantôme de lumière et tout rayonne.' Ofwel: Ik zal U nog gaan zien bij het Lyceum [Maria onderwijzeres], ik ben gelukkig wanneer ik U zie, zelfs van verre, & wanneer U de straat binnenkomt, is het mij alsof ik een schim van licht zie & dat alles straalt. [DSM V, p.383, C I, p.38 of OC I 1998, p.644].

Re vers 13: chapeau de clarté: ofschoon Mallarmé in 1862 van Hugo voornaamlik Les miserables schijnt le lezen [cf. C I, p.25 & 34] roept dit vers Les Contemplations, V, xxiii voor de geest: 'Le pâtre promontoire au chapeau de nuées' [Oeuvres poétiques II, édition de P.Albouy, Paris 1992, p.708].

Re vers 15-16: de ses mains mal fermees/ Neiger de bLancs bouquets d'etoiles parfumees: opnieuw Hugo:

       Marche, autre juif errant! marche avec l'or qu'on voit
       Luire à travers les doigts de tes mains mal fermées!
       Tous les biens de ce monde en grappes parfumées
       Pendent sur ton chemin



25

[Les Chants du crepuscule, X, in Oeuvres Poetiques I, p.849].

Tenslotte, als soort van adstructie van een gewenst & geliefd lijden Mallarmé's brief aan Cazalis van 7 Juli 1862: 'Causons; et d'abord ne pleure pas. / Je ne veux pas te consoler, d'abord parce que les grandes douleurs ne se conso1ent pas et ensuite parce que je sais qu'il est doux de souffrir pour celle qu'on aime. [...] Mais oublions cela, parlons d'Elle, toujours d'Elle./ - Loin de te dire: distrais-toi, je te repete Pense a elle, toujours; et pleure, c'est si bon d'être malheureux! [...] Oui, vraiment heureux ceux qui peuvent souffrir pour quelque chose de grand!' Ofwel: Laten wij eens wat keuvelen; & allereerst, weent niet./ Ik wil je niet troosten, in de eerste plaats omdat grote droefnissen zich niet laten troosten & vervolgens omdat ik weet dat het zacht is te lijden voor haar van wie men houdt. [...] Maar laten wij dat [Mallarmé schreef over zijn gentille Allemande] vergeten, laten wij over Haar spreken, steeds over Haar./ - Ver van je te zeggen: ontspan je, herhaal ik je Denk aan Haar, steeds; & weent, Het is zo goed ongelukkig te zijn! [...] Zeker, werklik gelukkig zijn zij die voor iets groots kunnen lijden!
       Menig ander fragment is hier van toepassing: voorlopigheid is indringend, indringendheid voorlopig. Baudelaire:

       Ton souvenir en moi luit comme un ostensoir!



26

       De uitdruklike tegenspraak & een daarmede noodzaaklik overschreden logische limiet schijnen "Apparition" nauwliks te deren [cf. supra, p.21]. Valeria Ramacciotti schrijft kras: "Tutta la poesia [id est "Apparilion"] e caratterizzata da un sottile effetto di sinestesia. [Poesi e Prose, introduzione e note di V. Ramacciotti/ traduzioni di A. Guerrini e V. Ramacciotti, Milano 1992, p.428, overigens zeer verschillend van Grillandi's versie, Roma 1986, p.93] - subtiel effect van synesthesie, dus maladif, terwijl B. Marchal eenvoudig spreekt van 'l'opposition symbolique' [OC I 1998, p.1149]. Vrijwel onmidlik na een eerste verschijning trok "Apparition" de aandacht van menig componist & vertaler: Debussy componeert in 1884 zijn eerste, niet te verwarren met zijn tweede "Apparition" van 1913, dewelke gemeen is. Mallarmé was kenlik niet in kennis gesteld van die eerste versie, want niets in diens wisling met René Mottart [componerend cambista, voorts volkomen onbekend; cf. C IX, p.274] geeft dit te kennen [op.cit. p.15. 303, 304 & C X, p.34] & in de Bibliographie de l'Edition de 1898 [OC 1945, p.77 of OC I 1998, p.47] is uitsluitend te vinden dat "Apparition" 'tenta les musiciens, entre qui MM. Bailly et André Rossignol qui y adaptères des notes délicieuses.'
       Vertalingen van "Apparition" door Richard Hovey [1864- 1900, Americaans scribent] & Stephan George [1868-1933, ambitieus Duits scribent] zijn (Mallarmé) bekend. Respectieflike briefwislingen met Mallarmé verlopen moeizaam. Re R. Hovey voornaamlik C VII, p.142, 229: 'Does it [= "Apparition"] please you [= Mallarmé]?/ I shall be very grateful for any criticisms or suggestions you will



27

make.'] & 234-235. De brieven van Mallarmé zelf zijn klaarblijklik (nog) niet teruggevonden.
       Een&ander is niet verwonderlik, iets vollediger in zake George: in Maart 1897 stuurt hij Mallarmé zijn vertaling in quaestie waarop deze antwoordt: 'l'attention exquise que votre tribut soit une traduction de moi-même issue du plus intime et du plus pur de votre art, me comble, entendez-vous, et j'ai deviné, sans connaître l'Allemand et lu Apparition dans Erscheinung avec un ravissement que ne m'a jamais donné mon poème.' [C IX, p.115-116; cf. OC 1945, p.1635]. Ofwel: de uitgekozen aandacht dat Uw tribuut nogwel een vertaling van mijzelf voortkomt uit het innigste & zuiverste van Uw kunst, overtroeft mij, begrijpt U, & ik heb zonder de Duitse taal te kennen [in esercizi II, p.48ff & 61 vroegen wij ons af in hoeverre Mallarmé Hegel studeerde] doorzien & met een vervoering die mijn gedicht mij nimmer heeft heeft gegeven Apparition in Erscheinung gelezen. - De overige wisling tussen beide dichters is omvangrijk. maar valt tenslotte enkel samen met een soort van beleefdheid.
       Ook de wisling met Edmond Deman, de uitgever van de sedertdien referentiële Poësies stelt enigszins teleur. Wel is omstreeks 1891 duidlik dat Mallarmé geen enkel bezwaar heeft tegen uitgaaf van "Apparition" & zich bij gelegenheid uitsluitend met typographie inlaat: 'Le caractère dans lequel vous avez fait composer Apparition est joli; mais selon moi et comme je vois 1'édition, trop grêle [schraal].' [C IV, p.297].



28

Mit Ezra Pound als Publikum allein
kommtt man nicht aus.
Thomas Mann, Doctor Faustus

       Mallarmé's modernisme is verwant aan een astructureel karakter o zo eigen aan Pound's volledige oeuvre. Kan een stijl verwant zijn aan een karakter? Quaestie van beeldspraak.
       Mallarmé heeft geen weet van tijd of ruimte & bevond zich vrij snel au dela de son métier. In het in L'Amitié de Stéphane Mallarmé et de Georges Rodenbach [lettres et textes inédits/ 1887-1898/ publiés avec une introduction et des notes par François



29

Ruchon. Genève 1949, p.17] gevonden gesprek, niet vrij van bizondere pathetique, verklaart Mallarmé: 'J'ignore ce que c'est que le public. J'ignore la Comédie-Française. Je n'habite pas Paris, mais une chambre; elle pourrait être à Londres, à San-Francisco et en Chine; vous voyez un homme pour qui Paris n'existe pas. Paris existait il ya trente ans; nous allons vers quelque chose, mais quoi? Aujourd'hui même écrire un livre c'est faire son testament...' Ofwel: Ik weet niet wat het publiek is. Ik ken de Comédie Française niet. Ik woon niet in Parijs, maar in een kamer; deze zou in Londen, San Francisco of China hebben kunnen zijn; U ziet iemand voor wie Parijs niet bestaat. Parijs bestond dertig jaar geleden; wij gaan naar iets toe, maar naar wat? Tegenwoordig is zelfs het schrijven van een boek een schrijven van zijn testament...
       Spraak van ontgoochling of andere eenzaamheid? [Onlangs zag ik plotsling dat Yukiko (5.5) zacht weende tijdens haar spel - wij luisterden Fauré.]
       Pound, ontstuimig als geen ander, vindt zijn stilte

tempus loquendi, tempus tacendi

tenslotte, ruim veertig jaar na de schepping van het imagisme. Een&ander is ondermeer bcschreven in de eerste afleveringen van paraGRAPHE [Paris, 1982-1987].
       In ontstuimige haast gaat men gemaklik voorbij aan een minuscule oeuvre als dat van Mallarmé. Maar Pound kende iedereen & in het bizonder William Butler Yeats, op zijn beurt be-



30

vriend met Mallarmé. T.S. Eliot verwijt Pound, begrijplik, 'for not liking Mallarmé' [cf. Christine Brooke-Rose, A ZBC of Ezra Pound, Berkeley & Los Angelos 1971, p.19] - deze laat zich inderdaad zelden & nimmer positief uit re Mallarmé. & toch hebben Eliot & Pound een uitdruklike geestdrift voor het werk van Jules Laforgue gemeen [cf. Literary Essays of Ezra Pound, edited with an introduction by T.S. Eliot, London 1974, p.280ff; T.S. Eliot, The varieties of metaphysical poetry, edited and introduced by R. Schuchard, London 1993, p.281ff; & elders]. Laforgue is geen symbolist à la lettre te noemen, maar weldeeglik verwant aan Mallarmé, dan wel omgekeerd [cf. Correspondance, op.cit. & H. Mondor, Vie de Mallarmé, op.cit. p.472ff].
       Pound kent uiteraard Arthur Symons' Symbolist Movement in Literature (1899), waarin een samenhangend beeld van recente Franse litteratuur wordt gegeven: '[a] study [...] crucial to the poetic development of both Yeats and T.S. Eliot.' [cf. Ezra Pound and Dorothy Shakespear, Their letters: 1909-1914, edited by 0. Pound and A. Walton Litz, London 1984, p.303]. Wij betwijfelen of Symons werklik zo cruciaal is. Yeats, bevriend met Symons, spreekt van een 'subtle' boek, hetwelk hij niet kan prijzen als hij zou willen 'because it has been dedicated to me' [cf. W.B. Yeats (The Oxford Authors), edited by E. Larrissy, Oxford 1997, p.533 & 358] & Eliot spreekt van 'an attractive study' maar neemt bij nader inzien enige afstand [cf, The varieties, op.cit. p.212].
       In elk geval heeft Pound zijn bedenkingen: 'A singular power of technique, and a certain imaginativeness of conception, mostly



31

wasted upon insincere obscenities. [...] He can be pleasant and cleanly when he chooses: has written things of power and things of charm. But is a slave to impressionism, whether the impression be precious or no.' [cf. Literary Essays, op.cit. p.365]. 14 Januari 1914 schijnt hij Dorothy Symons' handboek aan te bevelen [cf. Their letters, op.cit. p.302], terwijl zij begin 1913 Mallarmé reeds las, nota bene Pound's boeken: 'I have been reading your Mallarmé. He seems to me (the prose) worse than dear Henry James. Its all upside down. The Vers I haven't tried yet.' [cf. op.cit. p.193]. Waarschijnlik was Pound in het bezit van Edition Deman, 1899 [cf. supra p.16 & 28] & wellicht van Divagations.
       In zijn critiek bekommert Pound zich bijna uitsluitend om Mallarmé's vertaling van "The Raven" van Edgar Allen Poe, geïllustreerd door Manet in 1875 voor het eerst verschenen & sedertdien maintes fois herdrukt. In feite maakt een&ander deel uit van Les poëmes d'Edgar Poe, traduits par Stéphane Mallarmé [cf. OC 1945, p.187-222; Scolies, p.223-246], die met Oeuvres en Prose, traduites par Charles Baudelaire [cf. E.A. Poe, idem, texte établi et annoté par Y.-G. Le Dantec, Paris 1991] de gebruiklike franstalige Poe uitgaaf uitmaken. Baudelaire zelf ook heeft bij herhaling, in 1853-1854 & 1865, "The Raven" vertaald [cf. Oeuvres complètes II, texte établi, présenté et annoté par Cl. Pichois, Paris 1985, p.1127], ondermeer opgenomen in de hierboven genoemde proza uitgaaf [p.980-983].
       Pound: 'The cult of Poe is an exotic introduced via Mallarmé and Arthur Symons. Poe's glory as an inventor of macabre subjects



32

has been shifted into a reputation for verse. The absurdity of the cult is well gauged by Mallarmé's French trans1ation - Et le corbeau dit jamais plus.' [cf. Literary Essays, op.cit. p.218] & 'Mallarmé is almost a mantram, a word for conjuring.' [cf. Selected Prose 1909-1965, edited with an introduction by W. Cookson, London 1973, p.390]. Door Pound onzorgvuldig geciteerde vertaling van 'Quoth the Raven, "Nevermore."' - Mallarmé's versie verschilt hier niet van die van Baudelaire: 'Le Corbeau dit: «Jamais plus!»' die weliswaar corbeau zonder hoofdletter schrijft. Bovengenoemde shift is niet overtuigend. Poe's proza geniet een enorme belangstelling in het Frankrijk van Napoleon III waar de proza-vertalingen van "The Raven" weinig in veranderen. H. Kenner betoogt dat Mallarmé's vertalingen veeleer van Mallarmé dan van Poe te kennen geven & sluit zich aan bij Pound's conjuring: goocheling: ' Mallarmé learned English that he might read Poe (Poe!), and then supposed the subtleties alembicaling in his brain to have boiled up out of Poe's depths: as they did, when Mallarmé was the reader. Dante's coda to the Odyssey was made possible by his not having read it' [cf. Pound era, London 1912, p. 229-230]! Mallarmé studeerde engels & inderdaad naar hij in 1885 in zijn lettre biographique Verlaine schrijft 'simplement pour mieux lire Poe.' & trok naar Engeland 'afin de fuir, principalement; mais aussi pour parler la langue, et l'enseigner dans un coin, tranquille et sans autre gagne-pain obligé' [cf. C II, p.301] & werd zeer tegen zijn zin leraar in de provincie, in Tournon, circa 600 kilometer van Parijs. H. Mondor



33

beschrijft de historique van Mallarmé's belangstelling voor Poe's poëzie uitvoerig [cf. OC 1945, p.1513-1535]. Zo wist hij dat Baudelaire een volledige poëzie-vertaling overwoog. Bovendien kende hij de vertalingen van Lefébure [cf. stesure e frammenti II, p.48] & W.J. Hughes. Vermoedlik dateert de versie van Mallarmé van 1862, periode van "Apparition" [cf. supra p.23], maar eerst in 1872 verschijnen de eerste vertalingen in Le Renaissance artistique et litteraire. Eccetera, eccetera.
       Renner adstrueert zijn psychologisering re supposed niet. Dat Mallarmé's vertaling niet exact is, & zeker niet in hedendaagse termen, is duidlik. Voor evidente correcties zijn bij voorbeeld de OC 1945 pagina's 1529 tot 1535 te raadplegen. Of Mallarmé zelf belang zou stellen in derglike quasi objectiviteit blijft bedenklik. 'Onzuiverheden' van meester-vertaler Pound verbazen ons nu&dan, vooral in Women of Trachis naar Sophocles [London 1969] of Elegieën naar Propertius [cf. Collected shorter poems, London 1973, p.223ff. tevens in Cahiers de l'Herne, Ezra Pound II, Paris 1965. p.521ff. waar Pound's tekst, de vertaling van J.P. Attal, Propertius zelf & tenslotte de Paganelli vertaling [cf. Properce, Elegies, Paris 1970] zijn gegeven.] & de betrouwbaarheid van zijn Confucius vertalingen kunnen wij niet bewijzen, hooguit intuïtief betwijfelen, maar enig belang heeft dit niet. Ontroering blijft.
       Kenner's vergelijking tussen Mallarmé & Poe enerzijds & Dante & Homeros anderzijds gaat mank. Mallarmé heeft Poe gelezen. Dante's kennis van het grieks is omstreden & van Homeros ontleend aan citaten bij derden, zoals Aristoteles of Horatius [cf. Edward Moore, Studies in Dante, first series Oxford 1969. p.164-165].



34

In Inferno XXVI, 139-142 gaat het schip van Ulysses ten onder:

              Tre volte il fé girar contutte l'acqua;
       a la quarta levar la poppa in suso
       e la prora ire in giú, com' altrui piacque,
              infin che 'l mar fu sovra noi richiuso».

[Commedia, Inferno, con il commento di Anna Maria Chiavacci Leonardi, Milan 1991, p.792; stesure e frammenti I, p.34].
Ofwel:
              Driemaal werd het door het water rondgedraaid;
       de vierde maal ging het achterschip naar boven
       & de boeg naar beneden, zoals de ander het wenste.
              tenslotte sloot de zee zich weder boven ons».

De quaestie is dat hij Dante Ulysses niet, zoals bij Homeros, in de eerste plaats naar Penelope, Telemachos of Laërtes verlangt, maar liever eerst kennis van de wereld wil nemen: verzen 98ff. Vergeten waar, wellicht in Quintus Smyrnacus' Post-Homerica, gelezen dat Ulysses nà terugkeer in Ithaca toch weder uitzeilt.

       Om terug te komen op Poe tenslotte opnieuw Baudelaire: 'C'est un poème [Le Corbeau] dont les critiques américains font grand cas.' [cf. Oeuvres complètes II, op.cit. p.263].

*



35

       In Mei 1928 schrijft Pound René Taupin in fragmentarisch frans over chronologie & ontkent: 'Symbole?? Je n'ai jamais lu "les idées des symbolistes" sur ce sujet.' & haast zich even later hier 'Mais "voui": l'idée de l'image doit "quelque chose" aux symbolistes français via T.E. Hulme, via Yeat[s] < Symons < Mallarmé. Com[m]e le pain doit quelque chose au vanneur de blé, etc.' aan toe te voegen [cf. Selected letters 1907-1941, edited by D.D. Paige, New York 1971. p.218; Literary essays, op.cit. p.80].
       Juist in de tweede Ur-Canto, in Juli 1917 in Poetry gepubliceerd, figureert Mallarmé uitdruklik, direct & indirect:

              Society, her sparrows, Venus' sparrows, and
                     Catullus
       Hung on the phrase (played with it as Mallarmé
       Played for a fan, "Reveuse pour que je plonge,");

& dan lyrisch re la Dordoigne:

                            Dordoigne! When I was there,
       There came a centaur, spying the land,
       And there were nymphs behind him.
       Or going on the road by Salisbury
       Procession on procession -
       For that road was full of peoples,
       Ancient in various days, long years between them.
       Ply over ply of life still wraps the earth there.



36

Respectieflik verzen 49-52 & 77-84. pagina's 48 & 49 in de uitgaaf in boekvorm, a l'occasion du centenaire de la naissance d'Ezra Pound, van de drie Ur-Cantos [présentés et traduits par Philippe Mikriammos, Asnières 1985]. Onze volledige vertaling volgt spoedig.
       In het eerste fragment citeert Pound opnieuw onzorgvuldig 'O rêveuse, pour que je plonge. [cf. OC 1945, p.58; OC I 1983, p.296; OC I 1998, p.31 & 83], eerste vers van "Autre éventail/ de Mademoiselle Mallarmé":

       O rêveuse, pour que je plonge
       Au pur delice sans chémin,
       Sache, par un subtil mensonge,
       Garder mon aile dans ta main.

Ofwel: O droomstcr [oei], opdat ik mij dompele/ in zuivere, spoorloze genieting, / weet, door een spitsvondige leugen. / mijn vleugel in je hand te houden.
       & in het bizonder voor Hugh Kenner Rilke:

       O Träumerin, daß ich mich trüge
       zur Wonne. die kein Weg je fand,
       behalte du durch kühnste Lüge
       nur meinen Flügel in der Hand.

[cf. Werke in drei Banden, besorgt durch Ernst Zinn, Frankfurt am Main 1991. II, p.367.]



37

       In het tweede fragment verwijst naar Mallarmé's befaamde 'pli selon pli' - laag na laag - geannexeerd door Pierre Boulez voor soprano & orkest (1960), door Giles Deleuze re Leibniz (1989?) & door menig ander - & ontleend aan "Remémoration d'amis belges" [cf. OC 1945, p.60; OC I 1983, p.404; OC I 1998, p.32]:

       A des heures et sans que tel souffle l'émeuvc
       Toute la vétusté presque coulcur encens
       Comme furtive d'elle et visible je sens
       Que se dévêt pli selon pli la pierre veuve

Ofwel: Op bepaalde tijden & zonder dat een zucht hem ontroere/ De hele ouderdom bijna wierook van kleur/ Wanneer heimlik voor hem & zichtbaar voel ik/ Dat de blootgelegde steen [d'ouderdom] laag na laag aflegt
& dit re Brugge & 'en hommage aux poètes belges du cercle Excelsior de Bruges' [cf. OC I 1998, p.1180].

       Tenslotte Canto LXXX.402 [cf. I Cantos, a cura di Mary de Rachewiltz, Milano 1985, p.990; Faber & Faber, London 1964, p.400] :

          Les moeurs passent et la douleur reste.
       'En casque de crystal rose les baladines'
              Mallarmé, Whistler, Charles Condor, Degas
       and the bar of the Follies
                     as Manet saw it [ecc.]



38